Techniek

Coen Fransen
cfransen@zeelandnet.nl

23 maart 2020

Tellen, hoe ging dat?

Misschien kan iemand mij vertellen hoe het vroeger ging;

Hoe wist je nu of je genoeg letters/tekens in je kast had om de kopij te drukken? Men ging toch niet blind aan de gang? Of wel? Of werden de aantallen vooraf geteld en vergeleken met de aantallen in de kast?

Dank alvast.

5 gedachten over “Tellen, hoe ging dat?”

  1. De meeste boeken werden gedrukt met vaste regelzetsel (Linotype, of Intertype), waar volgens de zelfde Nederlandse letterpolis voldoende (voor meerdere regels) matrijzen in 1 of meer kanalen zaten. Bij de Monotype waren er op het laatst 15 x 16 matrijzen in een kader en werd elke letter stuk voor stuk gegoten. Een zeer ingenieus systeem zorgde voor de juiste woord tussenruimte en de perfecte letterbreedte via de 31 kanalen ponsband.

    Beantwoorden
  2. In de letterproef van Alberts’ Loonzetterij te Sittard en Loonzetterij Venlona te Venlo onze loonzetterijen stond bij alle lettertypes het aantal letters per 100 augustijnen (cicero’s), deze werden berekend door ‘het gemiddeld aantal letters’ van de Nederlandse letterpolis achter elkaar te zetten en vervolgens de totale lengte in augustijnen te meten.
    Door dit te verrekenen met de eerder vermelde copij-berekening kon je de kostprijs van het zetten en het aantal pagina’s van een boek berekenen.
    Tijdens mijn werkzaamheden in Neuchâtel heb ik dit zo vaak gedaan, dat ik op den duur in het Frans ben begonnen te tellen.

    Beantwoorden
  3. Er werd ook gewerkt met een 50- of 100 letterpolis.
    In een willekeurig boek (roman) geen wetenschappelijk werk werden letters geteld.
    Men kwam op zoveel a, c, w, e, enz. De meest gebruikte letter in het Nederlands is de letter ‘e’. Het grootste vak in de letterkast bevind zich de ‘e’.
    Theoretisch, maar dat is puur theoretisch, moet na het zetten van een groot stuk tekst de kast gelijkmatig leeg raken. Min of meer klopt dit. De ‘y’ is een klein vakje. Moet men een groot stuk Engels zetten krijg je natuurlijk dat de ‘y’ niet voldoende is. Nog een ander voorbeeld. Ik heb een kinderboekje gezet uit corps 28. De ‘j’ is ook matig vertegenwoordigd.
    Bij het zetten van dit kinderboekje komen steeds de woorden van boompje, beestje, holletje, kindje, enz. Steeds een verkleinwoord. Op een gegeven moment kreeg ik een ernstig tekort aan de letter ‘j’. Wil je een stuk tekst met de hand zetten ga in je kopij letters tellen. Als je een flink stuk tekst hebt gezet en je komt bepaalde letters tekort heb je een probleem. a. tekst in twee keer drukken. b. ontbrekende letters lenen bij een andere drukker. c. andere letter gebruiken waar meer dan voldoende is.

    met vriendelijke groeten, Roel van Dijk

    Beantwoorden
  4. Je kreeg de kopij binnen, meestal keurig getikt op ‘kopijvellen’, je telde het aantal tekens over 10 getikte regels, deelde dat verkregen aantal door 10 om een gemiddelde per regel te verkrijgen. Bijvoorbeeld 65 tekens. Vervolgens telde je het aantal getikte regels per kopijvel, (bv. 30) vermenigvuldigde dat met 65, uitkomst 1950. Dan rekende je uit hoeveel tekens er uit een bepaald corps op een gegeven breedte pasten. 1950 gedeeld door het aantal tekens in het gegeven corps, gaf je het aantal regels.
    Sommige lettergieterijen en zetterijen hadden hier kant en klare tabellen voor. Met deze informatie kwam je erachter hoeveel letter je nodig had om een tekst te zetten.
    Ook waren er tabellen die je vertelden hoeveel ‘cicero’s’ of ‘augustijnen’ je uit één polis van een corps kon zetten. Gewapend met een Monotype of Linotype tabellenboek, een rekenschijf en een potlood kwam je een heel eind!
    Wanneer je letterproeven goed leest, kun je heel wat van dit soort informatie vinden. Ook een aanrader is het ‘Boek, over het maken van boeken’ door Huib van Krimpen. Vooral de eerste editie, geheel gezet op de Monotype machine en gedrukt in boekdruk.
    En natuurlijk, even een stukje proefzetsel maken van 10 regels om te kijken of de berekeningen klopten.

    Beantwoorden

Plaats een reactie