Voddenkleed
Bucheliuspers, 2026
Formaat: 20,5 × 12,5 cm
Aantal pagina’s: 96
Oplage: 30 exemplaren
€ 35
Een luchtiger Sándor
Denk vooral niet dat alle Hongaarse dichters tragische levens hebben geleid en gekweld werden door politieke, sociale of psychische ellende. Sándor Weöres (1913-1989) heeft weliswaar het grootste deel van zijn leven onder benauwende omstandigheden geleefd – een tijdlang is hem zelfs een publicatieverbod opgelegd – maar hij vertegenwoordigde wel degelijk ‘de vrolijkste barak van het Oostblok’. Hij hield van schoonheid, spel, vrouwen en drank. Politiek was niet zijn hartstocht, hij hield zich er vooral buiten, al heeft hij satirische verzen geschreven waarin kritiek op het collectivisme te horen is, zoals het populaire Majomország (Apenland):
Apenvorst op apenstokje
geeft een apendienstbevel:
één aap naar de apenhemel,
één aap naar de apenhel.
Hij is vooral geliefd door zijn kindergedichten. Zijn bundel Bobita (1955) heeft in Hongarije de status van Annie Schmidts Fluitketeltje bij ons. Veel ervan is op muziek gezet. Daarnaast had hij grote belangstelling voor oosterse filosofie, vertaalde hij de Tao Te Tjing even vlot als Eliots The Waste Land en hield zich bezig met nonsenspoëzie.
Die veelzijdigheid, die luchtige speelsheid naast Boeddhistische diepzinnigheden, plus zijn genoegen in vorm, klank en kleur zijn terug te vinden in de reeks van 160 gedichten die hij uiteindelijk uitgaf onder de titel Rongyszőnyeg, voddentapijt of lappendeken. Kleuterversjes naast diepzinnige beschouwingen, pure klankgedichten naast tegeltjeswijsheden, soms niet meer dan probeerseltjes, alles onbekommerd naast elkaar.
Honderdzestig gedichten is veel, al zijn de meeste kort tot zeer kort, maar Orsolya Réthelyi en Arjaan van Nimwegen slaakten een weemoedige zucht toen het laatste gedicht vertaald was. Toen moesten we het maar uitgeven. Voddenkleed heet het, en omslag en schutbladen tonen dat traditionele Hongaarse tapijtpatroon. Zesennegentig bladzijden met de hand inbinden is geen kleinigheid, en dus hebben we het maar bij dertig exemplaren gehouden.
Weöres’ vrolijke, soms absurdistische gedachten- en woordenspinsels weerspiegelen de levenslust en de nieuwe hoop van Hongarije, zeker op dit moment.






















